Renzulli’s model van hoogbegaafdheid, maar dan goed

Renzulli’s model van hoogbegaafdheid, maar dan goed

Hoogbegaafdheid heeft tot op heden nog geen eenduidige definitie, waardoor er niet zomaar gesproken kan worden van ‘hoogbegaafd zijn’ als een ding waarmee iedereen hetzelfde bedoeld. Dit betekent niet dat hoogbegaafdheid niet bestaat, maar dat er nog meerdere visies zijn waarover gediscussieerd wordt. Een van de meest geaccepteerde theorieën over de definitie van hoogbegaafdheid is het triadisch model van Renzulli. In de jaren ’70 van de vorige eeuw heeft hij dit model ontwikkeld en was hiermee de eerste die aangaf dat hoogbegaafdheid onder invloed is van een wisselwerking tussen omgeving en persoonskenmerken. Hiervoor was het merendeel van wetenschappers van mening dat hoogbegaafdheid een interne, stabiele eigenschap van een persoon is en werd dit hoofdzakelijk aan hoge academische prestaties gekoppeld.

Renzulli heeft sinds dit model decennia lang onderzoek gedaan en vele publicaties uitgebracht over hoogbegaafdheid en onderwijsbeleid. Mocht je ooit de tijd en zin hebben om hierin te duiken, dan kan ik het zeker aanraden. Sinds ik me hier meer in ben gaan verdiepen ben ik een rijkdom aan diepgaande visies en onderbouwingen tegengekomen, wat laat zien hoeveel verder de kijk op onderwijs voor hoogbegaafden is ontwikkeld dan wat vaak gesteld wordt.

Hoe meer ik me in de publicaties van Renzulli verdiep, hoe meer ik merk dat zijn model en visie in Nederland nogal verkeerd wordt uitgelegd. De gangbare uitleg van een hoge intelligentie, creativiteit en intrinsieke motivatie is echt niet zoals dit model bedoeld is. Het kan ook vooroordelen en verwachtingen geven over hoogbegaafde mensen als een soort hoogfunctionerende supermensen, wat ze niet zijn. Zelfs in bronnen als het SLO, oudervereniging Pharos en de Vereniging Begaafdheids Profielscholen wordt dit model te kort door de bocht of foutief uitgelegd. Tijd dus om het even goed te doen.

Het model

Het eerste belangrijke punt dat vaak verkeerd wordt uitgelegd, is dat Renzulli in zijn model praat over creatief-productief uiten van een hoogbegaafde potentie (even in het kort ‘hoogbegaafd gedrag’). Het gaat dus niet om hoogbegaafd zijn, maar om het materialiseren van een onderliggende potentie. Hiervoor zijn drie factoren van belang, welke in verschillende maten context- en omgevingsafhankelijk zijn. Ze zijn dus niet stabiel aanwezig in een persoon, ongeacht het aanbod in de omgeving of andere factoren. Verder gaat het vaak mis in de vertaling en interpretatie van de drie factoren in het model.

Sterke cognitieve vermogens

Hieronder vallen zowel specifieke talenten als brede cognitieve vermogens. Denk hierbij o.a. aan logisch beredeneren, geheugen en verbale vaardigheden. Dit zijn relatief stabiele persoonseigenschappen die je met je meedraagt en verder ontwikkelt. Renzulli gaf hierin geen ondergrens van een IQ 130 aan en is er geen voorstander van om deze potentie enkel te zien als iets dat in testen kan worden vastgelegd. Het is dus een abstract begrip dat volgens Renzulli voor ongeveer 15-20% van de bevolking kan gelden.

Hier komen we ook een moeilijkheid met vertaling tussen Engels en Nederlands tegen. De term ‘gifted’ is niet vanzelfsprekend wat wij ‘hoogbegaafd’ noemen. Ik denk dat je gifted beter kunt vertalen als begaafd, waarbij highly gifted meer lijkt op hoogbegaafd. Misschien niet een groot verschil, maar toch belangrijk om te noemen.

Taakgerichte toewijding

Ook een vertaalprobleem! Renzulli omschrijft namelijk ‘task commitment’ en benoemt expliciet dat dit een ander concept is dan intrinsieke motivatie. Deze vorm van toewijding is contextafhankelijk en impliceert een sterke interesse of passie in een bepaald onderwerp of voor een bepaalde taak. Vanuit deze drijfveer komt wel een grote mate van motivatie, doorzettingsvermogen en vaak ook zelfvertrouwen om ergens je tanden in te zetten. Maar deze toewijding is dus niet altijd aanwezig en hoeft helemaal niet voor veel onderwerpen te zijn. Renzulli noemt hierbij een grote verantwoordelijkheid bij de omgeving om een persoon de kansen en het aanbod te geven om deze toewijding uit te lokken, waarbij hij hoge eisen stelt aan bijvoorbeeld verrijkingswerk en programma’s voor hoogbegaafde leerlingen om dit te bereiken. Twee van de belangrijke factoren hierin zijn nut en publiek voor het product dat een persoon maakt. Dus iets dat waarde heeft, een probleem oplost en wat anderen kunnen aanschouwen.

Creativiteit

Niet alleen knutselen en uitvinden, maar juist ook het kritisch bevragen van waarom dingen zijn zoals ze zijn. Dit vergt volgens Renzulli niet alleen flexibiliteit van denken, maar ook een sensitiviteit voor prikkels uit de omgeving en de mogelijkheid om deze prikkels met elkaar te integreren. Hierin komen we m.i. een glimp van de zijnskenmerken van Tessa Kieboom en de overexcitabilities van Dabrowski tegen, hoewel hier veel minder wetenschappelijke consensus en onderbouwing voor is. Renzulli geeft hierbij ook aan dat de uiting van creativiteit afhankelijk is van de openheid in een omgeving om creatief en kritisch te mogen zijn. Dus hierin ligt zeker ook een verantwoordelijkheid van de omgeving om een persoon uit te lokken tot ‘hoogbegaafd gedrag’.

Renzulli geeft aan dat zijn definitie van hoogbegaafd gedrag afhankelijk is van situaties, aanbod en omstandigheden. Hij noemt dit: “In certain people, at certain times, within certain circumstances” (bij sommige mensen, op sommige tijden en binnen sommige omstandigheden). Een passend aanbod voor een hoogbegaafd persoon is dus belangrijk om zijn/haar hoogbegaafdheid ook te kunnen signaleren in gedrag en prestaties. Iemand gedraagt zich niet altijd ‘hoogbegaafd’ en ontwikkelt niet vanzelfsprekend de gedragingen die helpen om potentie om te zetten in prestaties.

Mönks?

In Nederland kennen we het model van Renzulli met een toevoeging eraan, namelijk het meerfactorenmodel van Renzulli en Mönks (1985). Hierin wordt een driehoek om het model van Renzulli heen getekend, waarbij de invloed van de sociale omgeving vanuit het gezin, peers en school wordt benadrukt als belangrijke factor om hoogbegaafdheid tot uiting te laten komen. Ik heb wat navraag gedaan over de onderbouwing van deze toevoeging, omdat ik van mening ben dat Renzulli dit al meegenomen had in zijn oorspronkelijke model en er in internationale bronnen nooit een referentie naar Mönks staat. Vanuit de RITHA opleiding (nieuwe benaming van de ECHA) aan de Radboud Universiteit werd aangegeven dat er nauwelijks oorspronkelijke bronnen van de uitwerking van Mönks’ model zijn en hier dus geen duidelijke onderbouwing voor is. Heel apart dus, omdat dit in Nederland wel een gangbaar beeld is om te presenteren omtrent hoogbegaafdheid. Het maakt dat ik een voorstander ben van het gebruik van Renzulli’s model als op zichzelf staande theorie, waarbij je wat verder moet zoeken dan het plaatje om de grote hoeveelheid aan nuance en onderbouwing te vinden en begrijpen.

 

Hopelijk draagt dit weer een steentje bij aan het begrijpen van hoogbegaafdheid bij zowel kinderen als volwassenen. Ook nodig ik iedereen graag uit om meer te leren over de visies en uitwerkingen van Renzulli, vanuit zijn eigen woorden. Dus bijgaand nog een aantal filmpjes om op verder te kauwen:

Geen reactie's

Geef een reactie