(Hoe) vertel ik mijn kind dat hij hoogbegaafd is?

(Hoe) vertel ik mijn kind dat hij hoogbegaafd is?

Een van de vragen die wij het meest krijgen in de praktijk. Je zit als ouders in een nabespreking van het onderzoek bij je kind en staat eigenlijk aan het begin van de zoektocht rondom hoogbegaafdheid. Het was misschien al een zoektocht om überhaupt tot een onderzoek te komen, maar geloof me, je staat aan het begin. De gesprekken over onderwijsaanpassingen moeten waarschijnlijk nog gevoerd worden of krijgen een andere lading. Je gaat nog nadenken over andere leden in het gezin, waarschijnlijk inclusief jijzelf. Best ingewikkelde onderwerpen waar je in gegooid wordt, nu het hoge woord eruit is: Pietje is hoogbegaafd.

Veel mensen hebben een negatieve bijsmaak bij de term ‘hoogbegaafd’. Ik dacht hier zelf overheen te zijn, doordat ik zolang als ik me kan herinneren al weet dat ik hoogbegaafd ben en nagenoeg altijd passende aanpassingen heb gehad met veel ontwikkelingsgelijken en acceptatie voor wie ik was. Maar toen ik voor mijn eigen dochter toch stotterend bij de dagopvang stond om te vragen of ze een ontwikkelingsvoorsprong in de gaten wilde houden en aangaf dat ik het vooral bespreekbaar wilde houden, maar niets weet van kinderen onder de drie jaar, herkende ik het beschaamde gevoel van veel ouders voor het eerst. Toen ik de leidster vervolgens op zag schrijven: “In de gaten houden of ze hoogbegaafd is”, zakte ik ongeveer door de grond. Achja, laat maar staan, we zien wel. Maar ik wil niet zo’n ouder zijn, het schrikbeeld van een pusherige, prestatiegerichte, te trotse ouder. Dus ja, het is ook nog steeds een zoektocht als je goed belezen bent en aardig wat ervaring hebt!

Een heel proces voor jullie als ouders en jullie kind. Hoe kun je hierbij helpen? Wees gerust, dat doe je op dagelijkse basis door aan te sluiten bij jouw kind als mens. Jouw kind staat centraal en jouw kind is niet ‘hoogbegaafdheid’. Maar hoe kun je je kind passend meenemen om deze zoektocht? Daarover deel ik graag wat gedachten.

De term ‘hoogbegaafd’ in de ogen van een kind

Moet je het ‘hoogbegaafd’ noemen richting een kind? Een van de vragen die het meest gesteld wordt. Ik vind van wel, omdat ik er niet van hou om ergens omheen te draaien. Ook staan er meerdere volwassenen op mijn netvlies die jaren later erachter kwamen dat vroeger bekend was dat ze hoogbegaafd zijn. Het lijkt me gek als het beestje nooit bij de naam genoemd wordt. In eerste instantie hebben veel mensen een oppervlakkig idee van wat hoogbegaafd zijn betekent, waardoor het label ook niet bij je lijkt te passen. Misschien ben je niet goed in rekenen, haal je geen hoge cijfers, heb je veel vriendjes (vanuit het vooroordeel dat hoogbegaafde mensen onaangepast of heel anders zijn) of hou je gewoon van voetballen en niet van schaken. Ik sprak laatst een jongen die zei: “Als je slim bent dan is er meestal ook iets mis met je. Dan praat je ook door de les heen enzo. Maar ik doe dat niet, maar ik ben wel slim. Dat is wel een beetje apart, maar waarom dat zo is weet ik niet.” Ik moest ontzettend lachen om zijn gedachtegang en sprak met hem af dat we gingen kijken naar zijn manier van slim zijn. Dat vond hij een goed idee. Veel kinderen zien hoogbegaafdheid vooral als goede cijfers halen en slim zijn. Dat is normaal en is ook een teken van de beleving van een kind, waarna we verder kunnen bouwen en verder groeien.

Het gaat natuurlijk om wat dit voor jouw kind betekent en het verhaal eromheen. Jouw kind groeit op met zijn eigen persoonlijkheid, interesses én hoogbegaafdheid. Het is dus een ontwikkeltaak voor jouw kind – net als alle andere kinderen – om een identiteit op te bouwen waarin hij zichzelf leert kennen zoals hij is. Dit proces gaat hoofdzakelijk vanuit dagelijkse spiegeling met anderen, maar kan soms geholpen worden door bewust reflecteren en uitleggen. Dan neem je hoogbegaafdheid mee vanuit de belevingswereld van een kind in zijn dagelijkse praktijk, maar niet als losstaand iets. Soms kom je de hoogbegaafdheid tegen (‘oja, nu merk ik hem’) en vaak ook niet. Ik vind het hierin niet altijd nuttig – en soms ook een slecht idee – om een soort keukentafelgesprek te hebben om even uit te leggen wat hoogbegaafdheid is, met een paar grafiekjes en standaard informatie. We groeien in stukjes met het kind mee, wanneer het relevant is en aankomt.

Identiteitsontwikkeling

Wanneer een kind zichzelf leert kennen en een identiteit opbouwt, heet dat het integreren van zijn identiteit. Dit betekent dat je verschillende stukjes van jezelf op een genuanceerde wijze leert kennen, met zelfrespect en met respect voor de ander. Waar een jong kind zichzelf vooral beschrijft met zijn eigen naam (Pietje), zegt een ouder kind wat zichtbaar is in gedrag en overgeneraliseert (Ik ben Pietje en ik kan het hardst rennen van de hele wereld). Nog een ouder kind wordt genuanceerder (Ik ben Pietje en ik kan hard rennen, maar niet zo goed tekenen) en daarna worden doorgaans meer abstracte termen gebruikt (Ik ben Pietje en ik vind rennen heel leuk. Daar ben ik ook goed in. Tekenen vind ik stom, behalve met juf Hermien, want die bedenkt leuke opdrachten. Ik ben meestal wel aardig, behalve als ik een ochtendhumeur heb.)

Een goed geïntegreerde identiteit als hoogbegaafd persoon betekent dus dat hoogbegaafdheid een plekje krijgt in het verhaal dat je hebt over jezelf. Het is heel normaal dat dit een ontwikkeling vergt, zowel bij volwassenen als bij kinderen. Het Cass Identity Model (CIM; Cass, 1984) is een theorie om dit proces van identiteitsontwikkeling bij minderheidsgroepen te begrijpen. Deze is oorspronkelijk ontwikkeld voor homoseksuele mensen, maar door Baudson en Ziemes (2016) ook toegepast op hoogbegaafde mensen. Het is een theorie en geen bewijs van feiten, dus vooral bedoeld om te helpen inzicht te krijgen, niet om letterlijk vast te stellen. Onderstaand plaatje geeft verschillende fasen weer waarin de identiteitsontwikkeling zich kan bevinden:

Fase 1 Voorstadium: Iemand heeft niet door dat hij anders is. Het eigen gevoel (sterretje), identificatie met de meerderheid (grijze rondje) is groot, eigen gedrag (vierkantje) komt overeen met gedrag van de meerderheid en identificatie met de minderheid (witte rondje) is ver weg.

Ik pas de termen hierna toe op hoogbegaafdheid.

Fase 2 Verwarring: Identificatie met de meerderheid (niet-hoogbegaafde mensen) voelt niet meer goed, maar je gedraagt je er wel naar. Identificatie met hoogbegaafde mensen voelt ook nog niet goed. Dit label past niet bij je.

Fase 3 Vergelijking: Bewustwording ontstaat dat je anders bent. Je aanpassen aan de meerderheid kost steeds meer moeite en voelt niet meer als jezelf, maar je blijft dit wel doen.

Fase 4 Tolerantie: Oke, je bent hoogbegaafd, maar dat hou je voor jezelf. Er is een fors verschil in gedrag tussen privé en publiekelijk, waar je nu ook bewust van bent.

Fase 4 Acceptatie: Je gaat je afzetten tegen de meerderheid en kan blij zijn met je eigen hoogbegaafdheid. In meerdere situaties probeer je nog wel de hoogbegaafdheid te verbloemen in gedrag.

Fase 5 Trots: Je zet je nog meer af tegen te meerderheid en hoort bij de doelgroep ‘hoogbegaafd’. Dit is een belangrijk onderdeel van je identiteit en je deelt de wereld op in ‘hoogbegaafde mensen’ en ‘niet hoogbegaafde mensen’.

Fase 6 Synthese: Je erkent dat je hoogbegaafd bent, maar ook veel overeenkomsten hebt met mensen die niet hoogbegaafd zijn. Er is respect voor anderen én voor jezelf.

Hoewel in het artikel van Baudson en Ziemes (2016) geen duidelijke trots-fase wordt onderscheiden, herken ik hem in de praktijk wel degelijk. Ik schreef al eerder over het wij-zij-gevoel en de boodschap ‘ik ben oké, jij bent niet oké’ die ik soms bij hoogbegaafde mensen zie. Ik denk dat je dit tegen kan komen bij iemand die nog in die identiteitsontwikkeling zit, maar zou dit niet expliciet aanmoedigen. Hoogbegaafdheid is ook geen ziekte of manier om achtergesteld te worden in de maatschappij. Het is een kenmerk van jezelf, soms handig en soms onhandig.

Dus, hoe vertel je je kind dat hij hoogbegaafd is? Vanuit een doorlopend gesprek en spiegeling met de dagelijkse belevingswereld van dit specifieke kind. Het is heel normaal als dit even een eigen leven gaat leiden en je kind er een periode veel mee bezig is. Het start bij je kind en wat hij meemaakt.

“Merk jij wel eens dat het voor jou anders werkt? En op welke momenten merk je het allemaal niet?”

“Kijk, nu merk ik het! Ik zie je ogen heen en weer gaan, je hersens kraken en we zijn echt aan het knallen in deze opdracht! Denk jij dat dit voor iedereen ook zo werkt en dat iedereen zoveel ideeën heeft als jij?”

“Ik kan me wel voorstellen dat jij zegt dat het op school saai is. Als ik vandaag zie hoe snel jouw hoofd werkt en dat je dan meteen lekker aan de slag wil. Dat kan niet altijd in de klas en ik kan me voorstellen dat dat voelt als wachten, terwijl lekker knallen zo leuk is! En dat het misschien verwarrend is waarom de uitleg zo langzaam gaat. Veel mensen hebben die uitleg én de herhaling écht nodig om het te begrijpen.”

Jouw kind gaat op zijn manier hoogbegaafd opgroeien. In verschillende levensfasen en situaties komt die hoogbegaafdheid op verschillende momenten en manieren naar voren. Per leeftijd heeft een kind daarin ook iets anders nodig, maar wat hij altijd nodig heeft is openheid en acceptatie voor wie hij is. Vanuit woorden en vanuit daden. Die ontwikkeling is niet efficiënt te stroomlijnen vanuit een handleiding ‘Hoogbegaafdheid’, maar het kan helpen om het doorlopend bespreekbaar te houden. De zin ‘jij bent hoogbegaafd’ is daar een startpunt in, maar je bent niet ‘hoogbegaafdheid’ en we gaan met z’n allen leren wat dit stukje van jou voor jou betekent.

 

Referenties

Baudson, T. G., & Ziemes, J. F. (2016). The importance of being gifted: Stages of gifted identity development, their correlates and predictors. Gifted and Talented International, 31(1), 19–32. doi:10.1080/15332276.2016.1194675 

Cass, V. C. (1984). Homosexual identity formation: Testing a theoretical model. Journal of Sex Research, 20, 143–167. doi:10.1080/00224498409551214

Geen reactie's

Geef een reactie